Toepasselijk recht voor hotelreserveringen via internet

Algemene ontwerpen
De consument is de persoon die de boeking voor privé-doeleinden (vakantie) maakt. Wie echter boekt met het oog op bijvoorbeeld een zakenreis, boekt voor zakelijke doeleinden (zie brochure “Toepasselijk recht voor hotelboekingen op internet tussen een Oostenrijkse hotelier en een buitenlandse ondernemer als hotelgast (B2B)”).

Het antwoord op de vraag welk recht van toepassing is op hotelreserveringen via internet indien de hotelhouder in Oostenrijk woont of gedomicilieerd is en de boekende hotelgast een consument is, hangt af van verschillende criteria.
Om te beginnen is het van belang erop te wijzen dat het Oostenrijkse recht van toepassing is op hotelreserveringen door consumenten die, net als de hotelhouder, in Oostenrijk woonachtig zijn, aangezien het niet om een internationale situatie gaat.
Indien de consument echter buiten Oostenrijk woont, is het van belang of hij of zij

  • uit een EU-staat of
  • een EER-staat of
  • afkomstig is uit een derde land.

Na deze onderverdeling volgt de volgende uitleg.

Van belang is ook of de verordening inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I-verordening) van toepassing is, of een rechtskeuze is gemaakt en voor welke rechter een geding zou worden gevoerd (plaats van bevoegdheid). Er zij echter op gewezen dat overeenkomsten over de plaats van bevoegdheid in het algemeen niet mogelijk zijn ten aanzien van een consument. Dit betekent dat de hotelhouder een vordering tegen een consument alleen kan instellen in het land waar de consument woont. De consument heeft echter de keuze om de hotelhouder aan te klagen in de staat waar deze zijn woonplaats of zetel heeft, dan wel in zijn eigen staat van woonplaats.
Binnen de EU volstaat het immers dat de hotelhouder zijn commerciële activiteit richt op de EU-lidstaat waar de consument zijn woonplaats heeft. Volgens het Europees Hof van Justitie (HvJ) vormt het loutere bestaan van een website met de mogelijkheid van toegang vanuit het land van herkomst van de consument, geen “afstemming”. Er moeten verdere aanduidingen worden toegevoegd, bv. vermelding van
Verwijzingen uit andere lidstaten naar het eigen bedrijf, vermelding van een andere taal of valuta dan de eigen taal met de mogelijkheid van boeking en boekingsbevestiging in deze andere taal, vermelding van telefoonnummers met internationale kiescodes, betalingen aan exploitanten van zoekmachines om in andere landen te worden vermeld, domeinnamen met andere landennamen of neutrale eindes (.com of .eu). Volgens het Hof is het aan de respectieve nationale rechter om in elk afzonderlijk geval te onderzoeken of dergelijke criteria in voldoende mate aanwezig zijn, maar voor hoteliers betekent dit in het algemeen dat er zeer wel van “afstemming” kan worden gesproken. Als gevolg van een parallelle bepaling geldt dit ook voor Zwitserland en de EER-staten Noorwegen en IJsland, maar niet voor Liechtenstein, omdat Liechtenstein niet tot de overeenkomstige internationale verdragen is toegetreden.
Het oorsprongslandbeginsel van de E-Commerce Act (ECG) is niet relevant omdat het niet van toepassing is op consumentenovereenkomsten. Het VN-Verdrag inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken is evenmin van toepassing, omdat het een transactie tussen ondernemers veronderstelt.
Om het te vereenvoudigen, kan men bij wijze van inleiding zeggen:
Voor een in Oostenrijk woonachtige hotelhouder geldt ten aanzien van zijn buitenlandse hotelgasten uit een EU-staat het volgende, indien deze gasten
De consumenten zijn:

  • eventuele geschillen worden voorgelegd aan de rechter in het land van de consument
  • Tenzij anders overeengekomen, is Oostenrijks recht van toepassing.

1. hotelreservering tussen een Oostenrijkse hotelhouder en een hotelgast die in een andere EU-lidstaat woonachtig is

1.1. Oostenrijkse rechtbank

Hoewel de Rome I-verordening een bijzondere regel bevat voor consumentenovereenkomsten, bevat zij ook enkele uitzonderingsbepalingen. Met name zijn overeenkomsten voor de levering van diensten uitgesloten wanneer de aan de consument verschuldigde diensten uitsluitend worden geleverd in een ander land dan dat waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft. Dit is meestal het geval voor huisvestingsdiensten.

Bijgevolg valt een hotelreservering door een niet-Oostenrijkse EU-consument in een Oostenrijks hotel normaliter niet onder deze
bepaling inzake consumentenovereenkomsten van de Rome I-verordening.

Indien de overeenkomst met de consument echter een in een pakketprijs gecombineerde vervoers- en verblijfsdienst omvat (pakketreis), is de bijzondere regel van de Rome I-verordening voor consumentenovereenkomsten wel van toepassing (uitzondering op de uitzondering). Vervolgens wordt echter uitgegaan van het vaker voorkomende geval van een gewone hotelreservering.

  • Zonder rechtskeuze
    Volgens de Rome I-verordening bestaat er de mogelijkheid van vrije rechtskeuze, d.w.z. dat de contractsluitende partijen in beginsel zelf kunnen bepalen welk recht op de overeenkomst van toepassing is. Indien geen rechtskeuze is gemaakt, zijn de algemene bepalingen van de Verordening Rome I van toepassing op de hotelreservering.
    Volgens deze bepalingen vallen diensten die uitsluitend buiten het land van de woonplaats van de consument worden verleend, onder de wetgeving van het land waar de dienstverlener zijn woonplaats heeft. Voor de Oostenrijkse hotelier betekent dit dat het Oostenrijkse recht van toepassing is, hetgeen betekent dat ook de Oostenrijkse wet op de consumentenbescherming (KSchG) van toepassing is. Dit betekent in wezen dat de vraag naar de geldigheid van clausules in algemene voorwaarden (AV)moet worden beoordeeld naar Oostenrijks recht (met name §§ 864a, 879 lid 3 ABGB, alsmede § 6 KSchG).
  • Met rechtskeuze
    Indien een rechtskeuze is gemaakt, moet tevens worden onderscheiden of het recht van de EU/EER (d.w.z. het recht van een EU/EER-staat) dan wel een ander recht (niet-EU/EER-recht = recht van een derde staat) is gekozen. Indien Oostenrijks recht wordt gekozen, is dit van toepassing, met inbegrip van de Oostenrijkse bepalingen inzake consumentenbescherming. Indien een ander EU/EER-recht dan het Oostenrijkse wordt gekozen, is het gekozen recht in beginsel van toepassing op de Oostenrijkse jurisdictie, maar niettemin § 13a lid 2 KSchG (regelingen betreffende de geldigheid van clausules volgens § 6 KSchG en §§ 864a en 879 lid 3 ABGB). Indien voor een niet-EU/EER-recht (recht van een derde land) wordt gekozen, is dit doorslaggevend. Indien de bevoegde rechter in Oostenrijk is gevestigd, is echter het gehele artikel 13a KSchG van toepassing, d.w.z. de leden 1 en 2. Terwijl artikel 13a, lid 2 KSchG in wezen alleen betrekking heeft op het verbod van onzedelijke bedingen, gaat artikel 13a, lid 1 KSchG verder en maakt het ook het Oostenrijkse recht (ABGB en KSchG) toepasselijk, bijvoorbeeld op kwesties van garantie en de geldigheid van de overeenkomst in het algemeen.

1.2. EU-rechtbank (bevoegdheid buiten Oostenrijk maar binnen de EU)

  • Zonder rechtskeuze
    De onder 1.1. beschreven procedure. in de rubriek “Zonder rechtskeuze”. Het Oostenrijkse recht, met inbegrip van het Oostenrijkse recht inzake consumentenbescherming, is derhalve van toepassing. Indien nodig kunnen echter aanvullende consumentenbeschermingsbepalingen van het (buitenlandse) rechtsgebied van toepassing zijn. Dit hangt af van de (consumentenbeschermings)wetgeving van het rechtsgebied.
  • Met rechtskeuze
    In beginsel is de gekozen wet van toepassing.
    Indien het Oostenrijkse recht is gekozen, is dit opnieuw van toepassing, met inbegrip van het Oostenrijkse recht inzake consumentenbescherming. Indien van toepassing
    bovendien bindende bepalingen inzake consumentenbescherming van het (buitenlandse) rechtsgebied.
    Indien een andere wet is gekozen, is die van toepassing. De aanvullende toepasselijkheid van het nationale consumentenbeschermingsrecht van de staat van het gerecht is in overeenstemming met de juridische situatie.
    van de respectievelijke staat van jurisdictie.

2. hotelreservering tussen een Oostenrijkse hotelhouder en een hotelgast die een in een EER-staat woonachtige consument is

Indien de consument woonachtig is in een “zuiver” EER-land (waarmee hier de EER-landen worden bedoeld die niet tevens EU-staten zijn, d.w.z. Liechtenstein, Noorwegen en IJsland), is het in eerste instantie ook doorslaggevend of het juridische geschil voor een Oostenrijkse rechtbank of voor een rechtbank van het andere EER-land wordt beslecht.

2.1. Oostenrijkse rechtbank
  • Zonder rechtskeuze
    De onder punt 1.1. beschreven procedure. in de rubriek “Zonder rechtskeuze”. Dit betekent dat de hotelreservering onderworpen is aan de Oostenrijkse wetgeving, inclusief de
    Oostenrijks recht inzake consumentenbescherming.
  • Met rechtskeuze
    Ook hier moet een onderscheid worden gemaakt tussen EU/EER-recht of niet-EU/EER-recht (recht van derde landen).
    Indien Oostenrijks recht wordt gekozen, is dit van toepassing, met inbegrip van de Oostenrijkse bepalingen inzake consumentenbescherming.
    Indien EU/EER-recht werd gekozen dat niet het Oostenrijkse recht is, is dit gekozen recht van toepassing, maar bovendien § 13a lid 2 KSchG.
    Indien een niet-EU/EER-recht (recht van een derde land) werd gekozen, is het gekozen recht eveneens van toepassing, maar daarnaast geldt § 13a KSchG in zijn geheel, d.w.z. de leden 1 en 2 ervan.
2.2. EER-Hof (Liechtenstein, Noorwegen, IJsland)

Wat de rechtspositie is wanneer een geschil wordt voorgelegd aan een EER-rechtbank, wordt bepaald aan de hand van de respectieve wetgeving inzake intellectuele-eigendomsrechten (International
Wet Privaatrecht) van die staat waarvan de rechter wordt aangezocht om het geschil te beslechten. Daartoe moet men dus rekening houden met het conflictenrecht.
Neem de voorschriften van de betrokken gerechtelijke staat in acht.

3. hotelreservering tussen een Oostenrijkse hotelhouder en een hotelgast die in een derde land (noch in de EU, noch in de EER) gedomicilieerd is

Attentie:
Hier zijn afspraken over de plaats van bevoegdheid in beginsel mogelijk (maar dat geldt bijvoorbeeld niet voor de betrekkingen met Zwitserland, waarvoor bij wijze van uitzondering het volgende geldt
dat tot 2.2. Zwitserland maakt geen deel uit van de EER), maar vaak kunnen de beslissingen niet in de andere staat worden genomen.
worden gehandhaafd.

Voor het overige is hetgeen in punt 2 is gezegd onverkort van toepassing.
Omwille van de duidelijkheid zal dit niettemin nader worden toegelicht.

3.1. Oostenrijkse rechtbank
  • Zonder rechtskeuze
    Het Oostenrijkse recht, met inbegrip van het Oostenrijkse recht inzake consumentenbescherming, is van toepassing.
  • Met rechtskeuze
    Ook hier moet een onderscheid worden gemaakt tussen EU/EER-recht of niet-EU/EER-recht (recht van een derde land).
    Indien Oostenrijks recht wordt gekozen, is dit van toepassing, met inbegrip van de Oostenrijkse bepalingen inzake consumentenbescherming.
    Indien EU/EER-recht werd gekozen dat niet het Oostenrijkse recht is, is dit gekozen recht van toepassing, alsook bijkomend § 13a lid 2 KSchG.
    Indien een niet-EU/EER-recht (recht van een derde land) is gekozen, is ook het gekozen recht van toepassing, alsmede § 13a KSchG in zijn geheel, d.w.z. de leden 1 en 2 ervan.
3.2. Rechterlijke instantie van de derde staat (niet-EU/EER-staat)

De juridische situatie bij voorlegging van een geschil aan een rechterlijke instantie van een derde land wordt bepaald door het respectieve IPR (internationaal privaatrecht) recht van het land waarvan de rechterlijke instantie wordt aangezocht om over het geschil te beslissen. Daartoe moeten dus de collisieregels van de betrokken rechterlijke staat in acht worden genomen.

Durch die weitere Nutzung der Website stimmen Sie der Verwendung von Cookies zu. Mehr Informationen

The cookie settings on this website are set to "allow cookies" to give you the best browsing experience possible. If you continue to use this website without changing your cookie settings or you click "Accept" below then you are consenting to this.

Close